CURAÇAO – Premier Gerrit Schotte heeft dinsdag het Museo Tula bezocht. Het bezoek stond in verband met de voorbereidingen van de herdenking van 150 jaar afschaffing van de slavernij die volgend jaar wordt gevierd.

 
Coördinator Jeanne Henriquez en medewerkers van het Tula museum gaven Schotte een rondleiding in het landhuis en magazijnen.

Voorbereiden
In de loop van dit jaar zal het museum diverse activiteiten organiseren om de Curaçaose gemeenschap voor te bereiden om volgend jaar de 150 jaar afschaffing van de slavernij bewust te kunnen herdenken. Het bezoek van Schotte is de start van de ronde van informatie en scholing die het museum aan alle ministers en parlementariërs zal geven.

Informatie
Daarnaast zal Museo Tula informatie verschaffen over de slavernijperiode en de afschaffing op scholen. Het museum heeft ook een boek gemaakt dat een lesbrief zou moeten worden voor leerkrachten om de thema’s identiteit, de periode van slavernij, muziek en muziekinstrumenten in hun lessen te behandelen.

Tentoonstelling
De voorbereidingen voor een tentoonstelling over 147 mensen die in 1863 vrije mensen werden in Kenepa, zijn al in volle gang. Tot slot wil het museum verschillende wijken ingaan om lessen te geven over de slavernij en films vertonen.

2 reacties op “Schotte bezoekt Tula”

  1. Slavernij als beste identificatie voor Curacao? Als onze nationale identiteit?
    Kwam dit nog tegen in een artkel (don’t shoot the messenger..)
    “Er is op Curaçao nog nooit grondig onderzoek gedaan naar de leefomstandigheden van de slaven, afgezet tegen die van de ‘gewone man’. Een eerste duik in het Nationaal Archief van de NederlandseAntillen levert al meteen een beeld op dat haaks staat op het stereotype van de boze blanke meester versus de arme zwarte slaven. Sterker nog: de slaven deden zelf mee aan het systeem. Neem de negerslaaf Johannes Paulus Rib. Hij was 33 jaar oud toen hij zichzelf in 1842 vrijkocht met het geld dat hij had verdiend als schrijnwerker. Zijn voormalige eigenaar, Andries de Lannoy, had Rib namelijk een opleiding laten volgen, een niet ongebruikelijke gang van zaken in die tijd op Curaçao. Daardoor kon Rib als vrij man een goed bestaan opbouwen. Twintig jaar na zijn vrijmaking werd Rib zelfs plantage-eigenaar: voor 3800 gulden kocht hij de kleine plantage Papaya, inclusief de inventaris van twee slaven, veertig runderen en honderdvijftig schapen.
    Zijn eerste slaaf had Rib al in 1846 aangeschaft, gevolgd door diverse andere slaven, die hij
    verhandelde. Opvallend genoeg kocht hij niet zijn in slavernij levende familieleden vrij. Op 1 juli 1863, de dag waarop alle slaven hun vrijheid kregen, had de voormalige slaaf zelf negen slaven en slavinnen in eigendom. Een flink aantal, want op dat moment bezat tweederde van de Curaçaose slaveneigenaren hooguit vijf slaven. Slechts tien van de 721 eigenaren op het eiland waren in het bezit van honderd of meer slaven.”

  2. Zal er ook samengewerkt worden met de ‘Slaven Museum’ van Kura Hulanda? Deze heeft ontzettend veel materiaal en de krachten moeten wel gebundeld worden.

    PLB