• Facebook

  • Twitter

  • Left_Skyscraper_160x600

  • Validator w3.org

  • Large Skyscraper 01

  • Large Skyscraper 02

ingezondenCURAÇAO – Spraakmakend nieuws, knallend evenement of sportief hoogstandje? Soms wil je als lezer zelf in de pen klimmen. Bij Versgeperst.com zijn ingezonden brieven welkom. Yvette Raveneau (Amigu di Tera) en Lloyd Narain (Defensa Ambiental) staan stil bij Wereldmilieudag.

De Memorandum of Understanding ( MoU) die de Isla-raffinaderij (RdK), PdVSA en onze regering zo net ondertekend hebben is een vaag document, kennelijk met het doel tijd te winnen. Voor Venezuela is dat gunstig. Hoe langer wij in het ongewisse worden gelaten, hoe sterker de onderhandelingspositie van onze zuiderburen. Maar het kan ook zijn dat de snelle en grillige ontwikkelingen in de oliewereld meer tijd en aandacht van Venezuela vergen om haar kansen in het internationale netwerk te berekenenen en de ketens van haar oliebedrijven daarop af te stemmen. Van onze kant blijven de bestuurders zich zwak opstellen tegenover de oliesector, zoals dat de afgelopen 30 jaar altijd al het geval is geweest.

Shell vertrok in 1985 van het eiland en hoefde volgens de overeenkomst nooit aansprakelijk te worden gesteld voor de milieuschade die de multinational ons eiland gedurende 70 jaar had toegebracht. Al jaren vóór haar vertrek waren de tekenen van sluiting al zichtbaar. Alleen niet voor onze politici, die dachten dat alles vanzelf goed zou komen. Het gebrek aan relevante kennis over het lokale en internationale oliegebeuren en onderschatting van de impact van de milieuvervuiling brachten ons in een positie waarin Shell in feite het akkoord voor ons dicteerde. Politiek Willemstad moest verder maar uitzoeken hoe zij de werknemers zou opvangen. De politiek ging door de knieën; Shell schoof de 5000 werknemers én de raffinaderij naar de overheid voor één gulden door en deze schoof op haar beurt de werknemers meteen naar PdVSA door. Nu men in grote dankbaarheid de werknemers onder de pannen had, kon men dit Venezolaans staatsoliebedrijf bij de opstelling van het contract niet al te veel eisen stellen. Intussen kon Shell het fonds dat voor de ontmanteling van de raffinaderij gereserveerd was, in haar zak stoppen en aldus de aandeelhouders een extraatje bezorgen.

In 1989, 1990 en 1991, telkens weer op Wereldmilieudag vonden er massademonstraties plaats in de straten van Wishi en Marchena. De organisatie daarvan lag in handen van de buurtorganisatie, Defensa Ambiental en Amigu di Tera. Het was gericht tegen de ondraaglijke luchtverontreiniging van de raffinaderij. Als gevolg daarvan kwam kwam de overheid een beetje in beweging, keurde een nieuwe hinderverordening goed en begon aan een hindervergunning voor de raffinaderij te werken. Helaas bleef het daarbij, het overheidsapparaat werd niet versterkt om in 1994 de onderhandelingen voor een twintigjarig contract met PdVSA tot een goed einde te brengen. Het resultaat: de raffinaderij hoeft geen winstbelasting te betalen, betaalt een fooi voor de huur van de installaties en het terrein, en geniet bovendien van allerlei andere douceurtjes. Op milieugebied werd een vage hindervergunning afgegeven die absoluut geen acceptabele verbetering van de milieusituatie kon garanderen. Er werd niets gedaan om met hooggekwalificeerde krachten en instrumenten de raffinaderij aan de vage vergunning te houden. En dat is nog steeds het geval.

Tijd winnen via de MoU betekent nog niet dat de regering haar zwakke positie na zes maanden kan verhelpen. Zoals bekend is het overheidsapparaat een chaos, is er geen samenwerking tussen de departementen, maken veelal laaggekwalificeerde krachten de dienst uit en kent men elkaars bevoegdheden niet. Er is geen adequate wetgeving, geen milieubeleid en de milieudienst is in feite ontmanteld. Zo kun je onmogelijk de nieuwe onderhandelingen in het belang van de bevolking en het milieu aangaan. Zelfs de kas van gespaarde huurgelden die uitsluitend voor herinvesteringen in de raffinaderij bestemd zijn, werd voor een groot deel leeggeplunderd waardoor te weinig middelen overblijven om nog iets te betekenen voor de nieuwe opzet van de raffinaderij.

RdK en PdVSA zijn beide staatsinstellingen en kunnen zich niet buiten de staatsbelangen opstellen. Geopolitieke veranderingen en nationale belangen spelen dan ook extra door in de onderhandelingen. Wereldwijd is de trend dat oliemultinationals de vervuilende productie steeds meer in ontwikkelingslanden plaatsen. Ook houden de oliebelangen die landen voor dat de weg naar ontwikkeling niet via duurzame energiesystemen gaat, maar natuurlijk via meer consumptie van olie, netjes afgeleverd door de multinationals, loopt. Zij steken veel geld in campagnes en weten wel hoe de betrokken politici hiervan te overtuigen. Deze moeten bovendien niet moeilijk doen met milieu- en arbeidswetgeving. Wat staatsoliebedrijven uitvoeren weten we al, maar als de ‘derde partner’ die men bij de voortgang van de raffinaderij wil betrekken ook zo’n multinational is, kan het voor de bewoners van ons eiland bijzonder slecht uitvallen.

Als de overheid ervoor kiest de raffinaderij te sluiten en de werknemers naar huis te sturen betekent dat niet alleen inkomensverlies voor de werknemers en het eiland. Kosten van sloop en verwijdering van de fabriek, en schoonmaak van het terrein variëren tussen 780 en 1721 miljoen gulden, afhankelijk of men het terrein braak laat liggen of inricht voor bewoning of bedrijvigheid. Of wij nu doorgaan of niet met de raffinaderij, er is een stevige organisatie van het overheidsapparaat nodig met betrouwbare coördinatie van gekwalificeerde onderhandelingsteams. De allergrootste vraag, namelijk hoe we de gigantische en noodzakelijke bedragen (bij sluiting of voortgang) moeten ophoesten, zonder in nog meer afhankelijksrelaties verzeild te raken, is het grootste raadsel.

www.versgeperst.com